Verder Terug Inhoud

13. Resource Records

In deze appendix bespreek ik kort de belangrijkste Resource Records

13.1 SOA

Het SOA-record geeft aan welke nameserver autoriteit heeft over een zone en bevat informatie die voornamelijk voor slaveservers van belang is.

Een SOA-record ziet er als volgt uit:

SOA <nameserver> <email> (
        <serial>
        <refresh>
        <retry>
        <expire>
        <minimum> )
De velden hebben de volgende betekenissen:
nameserver

De naam van de master server

email

Het e-mailadres van de beheerder, met de apenstaart vervangen door een punt

serial

Dit is het serienummer van de zonefile. Wanneer het serienummer verhoogd wordt, zal de master de zonefile opnieuw inlezen na een reload, en de slaves zullen een zonetransfer doen

refresh

Dit is het tijdsinterval waarin een slaveserver bij de master controleert of het serienummer verhoogd is.

retry

Als de masterserver onbereikbaar was bij de laatste controle van het serienummer, dan gaat de slave opnieuw proberen na dit tijdsinterval

expire

Als de masterserver zo lang down is geweest als aangegeven in expire, dan verwijdert de slave de zone

minimum

De betekenis van dit veld wordt nogal eens verschillend uitgelegd. In principe zou het de TTL van negatieve antwoorden moeten zijn, maar er zijn meer mogelijkheden. Als je dit veld een niet al te wilde waarde geeft, en je zorgt dat je niet afhankelijk bent van die waarde, dan zit je altijd goed.

13.2 NS

Het NS-record bevat een delegatie voor een onderliggende zone naar een nameserver. Dit moet een naam zijn, geen IP-adres. Het is aan te raden om altijd minstens twee nameservers te hebben voor een zone.

13.3 A

Hierin wordt een IPv4-adres opgeslagen behorende bij een naam.

13.4 AAAA

Hierin wordt een IPv6-adres opgeslagen behorende bij een naam.

13.5 PTR

Hierin wordt een naam opgeslagen behorende bij een IPv4 (binnen in-addr.arpa) of IPv6-adres (binnen ip6.arpa of ip6.int).

13.6 MX

De data in een MX-record bestaat uit twee delen: een getal die de voorkeur (preference) aangeeft, en een naam van een mailserver. Sommige beheerders plaatsen een IP-adres in een MX-record, maar dat is domweg fout.

Een lagere preference betekent een hogere prioriteit. Mail voor het domein aangegeven in de naam van het RR gaat naar de mailservers aangegeven in de MX-records.

Een MX-record mag in principe niet wijzen naar een CNAME. Het is ten zeerste aan te raden om hem in elk geval naar een A-record te laten wijzen, ook als de betreffende server alleen via IPv6 bereikbaar is.

13.7 CNAME

Een CNAME is een alias voor een andere naam. Door het gebruik van CNAMEs kun je een server bereikbaar maken onder meerdere namen, zonder dat je zijn IP-adres meerdere malen hoeft op te slaan.

13.8 TXT

Dit resource record bevat vrije tekst. Zo kun je bijvoorbeeld opslaan waar een bepaalde computer staat.

13.9 A6

Misschien ooit de vervanger van het AAAA-record. Voorlopig nog niet in elk geval. Voor een beschrijving, zie het hoofdstuk over IPv6.

13.10 DNAME

Tegenhanger van het A6-record, maar dan voor reverses. Voor een beschrijving, zie het hoofdstuk over IPv6.


Verder Terug Inhoud