In deze appendix bespreek ik kort de belangrijkste Resource Records
Het SOA-record geeft aan welke nameserver autoriteit heeft over een
zone en bevat informatie die voornamelijk voor slaveservers van belang
is.
Een SOA-record ziet er als volgt uit:
SOA <nameserver> <email> (
<serial>
<refresh>
<retry>
<expire>
<minimum> )
De velden hebben de volgende betekenissen:
De naam van de master server
Het e-mailadres van de beheerder, met de apenstaart vervangen door een punt
Dit is het serienummer van de zonefile. Wanneer het serienummer verhoogd wordt, zal de master de zonefile opnieuw inlezen na een reload, en de slaves zullen een zonetransfer doen
Dit is het tijdsinterval waarin een slaveserver bij de master controleert of het serienummer verhoogd is.
Als de masterserver onbereikbaar was bij de laatste controle van het serienummer, dan gaat de slave opnieuw proberen na dit tijdsinterval
Als de masterserver zo lang down is geweest als
aangegeven in expire, dan verwijdert de slave de zone
De betekenis van dit veld wordt nogal eens verschillend uitgelegd. In principe zou het de TTL van negatieve antwoorden moeten zijn, maar er zijn meer mogelijkheden. Als je dit veld een niet al te wilde waarde geeft, en je zorgt dat je niet afhankelijk bent van die waarde, dan zit je altijd goed.
Het NS-record bevat een delegatie voor een onderliggende zone naar een
nameserver. Dit moet een naam zijn, geen IP-adres. Het is aan
te raden om altijd minstens twee nameservers te hebben voor een zone.
Hierin wordt een IPv4-adres opgeslagen behorende bij een naam.
Hierin wordt een IPv6-adres opgeslagen behorende bij een naam.
Hierin wordt een naam opgeslagen behorende bij een IPv4 (binnen in-addr.arpa) of IPv6-adres (binnen ip6.arpa of ip6.int).
De data in een MX-record bestaat uit twee delen: een getal die de
voorkeur (preference) aangeeft, en een naam van een
mailserver. Sommige beheerders plaatsen een IP-adres in een MX-record,
maar dat is domweg fout.
Een lagere preference betekent een hogere prioriteit. Mail voor het
domein aangegeven in de naam van het RR gaat naar de mailservers
aangegeven in de MX-records.
Een MX-record mag in principe niet wijzen naar een CNAME. Het is ten
zeerste aan te raden om hem in elk geval naar een A-record te laten
wijzen, ook als de betreffende server alleen via IPv6 bereikbaar is.
Een CNAME is een alias voor een andere naam. Door het gebruik van CNAMEs kun je een server bereikbaar maken onder meerdere namen, zonder dat je zijn IP-adres meerdere malen hoeft op te slaan.
Dit resource record bevat vrije tekst. Zo kun je bijvoorbeeld opslaan waar een bepaalde computer staat.
Misschien ooit de vervanger van het AAAA-record. Voorlopig nog niet
in elk geval. Voor een beschrijving, zie het
hoofdstuk over IPv6.
Tegenhanger van het A6-record, maar dan voor reverses. Voor een
beschrijving, zie het
hoofdstuk over IPv6.